Een verschrikkelijke vrijdag (Pagina 06)

zijn eigen kleren aanhouden. Dat was een concessie aan de joodse wet, die naaktloperij niet toestond. Romeinse veroordeelden daarentegen moesten geheel naakt hun dood tegemoet strompelen.
Het was het derde uur van de dag, naar onze berekening tussen 9.00 en 10.00 uur ‘s ochtends, toen de stoet Golgotha bereikte. De groep bestond uit een peloton soldaten onder het bevel van een centurion, vele nieuwsgierigen, huilende vrouwen, op wraak beluste Farizeeën en Sadduceeën, de ontzette familie en vrienden en tenslotte de drie veroordeelden: Jezus en twee dieven die ook gekruisigd zouden worden. De militairen boden de ter dood veroordeelden wijn met mirre of gal aan. Vermoedelijk werd dat mengsel beschouwd als een verdovend of pijnstillend middel, enigszins vergelijkbaar met de laatste sigaret vóór de fusillering of het glas cognac dat men in Frankrijk de veroordeelden altijd bij de guillotine aanbood. Christus weigerde te drinken. Toen werden de kleren van zijn lichaam getrokken. Deze plakten zonder twijfel aan zijn kapot geslagen rug, die vermoedelijk meteen weer ging bloeden. Met zijn rauw gegeselde schouders moest hij op de houten balk, het patibulum, gaan liggen. De spijkers werden door de polsen geslagen en daarna werd het patibulum waaraan hij hing op de ruwe verticale stipes geplaatst. Enkele ogenblikken later sloeg men met een 20 cm lange vierkante spijker zijn beide voeten aan de paal vast. De doodsstrijd begon. De martelende keuze tussen verstikking en verscheurende pijn. Knieën strekken, ademhalen, vlammende pijn in de voeten, knieën buigen, lichaam laten zakken, verscheurende pijn in de polsen, heftige benauwd-heid en dan toch maar weer de knieen strekken in een langzame dodelijke cadans. De beide armzalige dieven vochten links en rechts op dezelfde wijze hun uitzichtloze strijd om een beetje lucht. Op dat moment hing aan de andere kant van de stad, even buiten de zuidelijke stadsmuur, de discipel Judas al dood aan een boom. Vertwijfeld door wroeging had hij zelfmoord gepleegd. Op het zesde uur (omstreeks 12.00 uur ‘s mid-dags), toen de gekruisigden reeds drie uur lang aan de spijkers hingen ‘kwam er een duisternis over het gehele land’. Dit werd mogelijk veroorzaakt door een zandstorm, een zogenaamde chamsin, waarvan het stof de zon kan verduisteren.
De doodsstrijd ging naar een climax. Het zweet liep als water langs Zijn lichaam, waarvan de temperatuur tot een hoge waarde steeg. Medisch gezien heet dat hyperthermie. De spieren verkeerden in een continue kramptoestand. De ontwrichte polsen en voeten deden ondraaglijk pijn. Door bloedverlies, extreem zweten, dorst en oedeemvorming ten gevolge van de geseling, was het circulerend bloedvolume sterk verminderd. De bloeddruk daalde, de hartslag werd steeds sneller. De biochemische samenstelling van het sterk verzuurde bloed was mede door enorm zoutverlies nauwelijks nog met het leven verenigbaar. Het hart begon het op te geven, er ontstond zogenaamde decompensatio cordis, waardoor er vocht in de longen kwam. Longoedeem heet dat. De ademhaling werd reutelend. Het hart sloeg onregelmatig. Er was een ondraaglijke dorst. Doch voorbijgangers bespotten Hem en onder het kruis verdeelden de soldaten de kleren en dobbelden zij om het overkleed van de Koning der joden (Matth. 33:35).
Mattheus rapporteert dan verder: ‘Omstreeks het negende uur (3 uur ‘s middags) riep Jezus met luider stem zeggende: ‘Eli, eli lama sabachtha-ni?’ Dat is: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ Het is de beginregel van de 22e psalm van David. Als groot kenner van de Tenach, de joodse Heilige Schrift, moet Jezus deze passage uit het hoofd hebben gekend. De psalm, meer dan duizend jaar vóór de kruisiging van Christus geschreven, schildert met profetische helderheid wat op Golgotha geschiedde:
Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten? verre zijnde van mijn verlossing, bij de woorden van mijn jammerklacht... Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is gesmolten als was, het is gesmolten in mijn binnenste...
Een bende boosdoeners heeft mij omsingeld die mijn handen en voeten doorboren ze kijken toe, ze zien met leedvermaak naar mij ze verdelen mijn klederen onder elkaar en werpen het lot over mijn gewaden...
Tenslotte wendde de stervende zich nog eenmaal tot de soldaten: ‘Ik heb dorst.’ Op de executieplaats stond een kruik gevuld met ‘zure wijn’, zoals de Schrift dit vermeldt. Deze zure wijn werd door de Romeinen posca genoemd. Het was een soldatendrank die bestond uit een mengsel van wijn, water, azijn en geklutste eieren. Die drank was verfrissend en door de eieren nog een beetje voedzaam ook. Een prima verfrissing in het warme klimaat van Israël. Het was de Coca Cola van het Nieuwe Testament. Eén van de legionairs reikte Jezus een spons aan die gevuld was met deze posca. Nadat de stervende