Een verschrikkelijke vrijdag (Pagina 05)

sentatief voor het grootste deel van het joodse volk, dat pas vijf dagen tevoren de wonderbaarlijke profeet met groot enthousiasme in Jeruzalem had welkom geheten. Hosanna juichende mensen hadden zelfs hun overkleding uitgetrokken en die op de straatstenen uitgespreid toen Jezus, gezeten op een veulen, Jeruza-lem kwam binnenrijden (Marc. ii: 8-io, Luc. 19:36-39). Zo’n eerbewijs wordt maar zelden gegeven.
De mensen op het voorplein van Pilatus’ dienstwoning vormden vermoedelijk niet het beste deel van Jeruzalem ‘s bevolking. Welk fatsoenlijk mens staat ‘s ochtends bij zonsopgang voor een militair politiebureau om de dood van een medemens te eisen? Niemand toch? Het was hetzelfde soort raddraaiers dat men ook tegenwoordig nog overal in actie kan zien waar bloedige rellen worden uitgelokt. Toen stonden ze te krijsen: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’ Dit holle gebrul van een hersenloze menigte werd een tekst in het evangelie van Mattheus. Deze éne zin in Mattheus 27:5 werd het meest dodelijke gif dat ooit in druk is verschenen. Het werd een vrijbrief voor meer dan negentien eeuwen verwoestend antisemitisme. Pilatus werd nog door zijn vrouw gewaarschuwd vooral geen vonnis over Jezus uit te spreken. Zij had over de wonderdoende rabbi gedroomd. Daarom deed de Romeinse landvoogd vermoedelijk nog een laatste poging om Jezus’ leven te redden. Hij liet hem geselen. Op dát moment was de procurator even ver van het Romeinse recht afgedwaald als Caiaphas van het joodse. Het was niet juist geweest om Jezus naar Herodes te sturen en het geselen van iemand die zo pas onschuldig was verklaard betekende een grove over-treding van de wet. Iedereen weet dat Christus gegeseld is, maar weinigen beseffen wat dat betekende.
De veroordeelde werd geheel naakt met touwen aan een stenen pilaar gebonden, de armen gestrekt omhoog. Er waren meestal twee soldaten die de geseling uitvoerden en ze sloegen om beurten met de zogenaamde flagrum, een Romeinse zweep. Deze bestond uit een kort handvat waaraan een tweetal spits toelopende leren riemen waren bevestigd. Aan het eind van de riemen waren hazelnootgrote loden kogels of de voetwortelbeentjes van een schaap bevestigd. Met dit verschrikkelijke instrument werd de huid van de veroordeelde letterlijk aan flarden geslagen. De slagen werden systematisch toegediend vanaf de schouders tot en met de kuiten. Het aantal slagen was bij de Romeinen in wezen onbeperkt. Men keek gewoon hoeveel de veroordeelde kon verdragen. Soms liep het aantal wel op tot honderd slagen. Totdat er praktisch geen huid meer was op de achterzijde van het slachtoffer, dat dan meestal bewusteloos in de touwen hing, omringd door een grote plas bloed. De geseling was bij de Romeinen een soort traditioneel voorprogramma bij de uitvoering van de doodstraf. De beschadiging van zóveel huid en de kneuzing van zóveel spierweefsel is in ernst te vergelijken met bijvoorbeeld een zeer diepe verbranding van het halve lichaamsoppervlak. Deze verwonding kan zonder medische hulp na enkele uren tot dagen dodelijk zijn. Daarom had de joodse wet het aantal slagen bij geseling tot maximaal 39 beperkt. De Romeinen dachten daar echter anders over.
Na de geseling werd Jezus door de soldaten nog bespot. Ze deden hem een rode mantel aan, zetten hem een soort kroon van gevlochten doornige twijgen op en sloegen hem bovendien in het gelaat en op zijn hoofd. De kroon, in de vorm van een muts, was vervaardigd uit de gedroogde takken van de Zizyphus Spina, een boom die vlijmscherpe dorens heeft van wel 2,5 cm lang. Die kunnen gemakkelijk dwars door de schedelhuid boren. Hierna werd Jezus door Pilatus nog publiekelijk tentoongesteld met de beroemd geworden woorden: ‘Ecce homo, ziet den Mens!’ Het moet een deerniswekkend gezicht geweest zijn. Waarschijnlijk was één oog dichtgeslagen. Het bloed stroomde over zijn gezicht en zijn kleding was met bloed doordrenkt. Mogelijk kon hij zich nauwelijks staande houden. Waarschijnlijk hoopte Pilatus met deze vertoning bij het publiek medelijden op te wekken zodat men het hierbij zou laten. Doch dit gebeurde niet. Ook de ruilprocedure met de moordenaar Barabbas ging niet door. En Pilatus, als een echte ambtenaar bang voor zijn carrière, bezweek uit lafheid voor de chantage van het volk. Mattheus, zelf een gewezen ambtenaar, beschrijft het sober: ‘... en hij gaf Hem over om gekruisigd te worden.’
De weg van Pilatus’ Praetorium naar Golgotha, later genoemd de Via Dolorosa, is nauwelijks 600 meter lang en kan langzaam lopend in twaalf minuten worden afgelegd. De weg is echter smal en hellend, de bestrating slecht en bovendien perst er zich immer een mensenmenigte doorheen. Langs deze weg moest Christus het zware dwarshout op zijn kapot geslagen schouders dragen. Het lukte hem niet. Vermoedelijk viel hij enige malen en kon hij niet meer overeind komen. Het staat niet in de Schriften. Maar wél is vermeld dat een willekeurige voorbijganger, genaamd Simon van Cyrene, die juist van het land kwam met zijn beide zonen, Alexander en Rufus genaamd, door de Romeinse bevelvoerder werd gedwongen de dwarsbalk te dragen. Simon had waarschijnlijk een soort volkstuintje even buiten de muren van Jeruzalem liggen. De Centurion gaf zijn order vermoedelijk niet uit medelijden. Hij was er namelijk verantwoordelijk voor dat de veroordeelden levend Golgotha zouden bereiken en niet halverwege al door uitputting zouden sterven. Op weg naar de executieplaats mocht Jezus